Posted by: politiek | juni 30, 2008

Het hoofdstuk van dit weekend komt iets later

motregen

Posted by: politiek | juni 22, 2008

Verbroken stilte

 

stilte

Het was merkwaardig stil rond Kalam. Weliswaar praatten en liepen de Anth’ en de mannen van het vreemde volk kriskras door elkaar maar Kalam hoorde er niets van. De stilte die tot hem doordrong vanaf de andere kant van de rotswand overheerste alles. Ook in zijn hoofd nam hij geen enkel geluid waar en dat was niet gebruikelijk. Kalam zat als een onverzettelijk rotsblok op zijn plaats. Zelfs toen Tugor hem meldde dat er een oplossing was voor de tocht met de stenensjouwers, bewoog hij zich niet.

Tugor besloot daarom terug te gaan naar de mannen waarmee hij de plannen had gemaakt. Het was Rannkark die zich had aangemeld voor de gevaarlijke tocht. “Zoek naar A’akane’, bond Tugor hem op het hart. “Zij zal proberen de vrouwen in het dorp zoveel mogelijk bij elkaar te houden, als ze daar tenminste de kans voor krijgt. Laat haar weten waar we mee bezig zijn en dat we waarschijnlijkeen uitweg uit de grot hebben gevonden. Ze moeten het weten. Als we iets doen, dan doen we het bij duistere maan. Dat geeft ons de beste kansen.” Rannkark knikte. “En als je wordt aangesproken, doe je alsof je niet kunt horen en spreken. Niemand mag erachter komen dat je de taal van de Vogelgrijpers of van de vreemde mannen niet spreekt.” “Ik snap het, en natuurlijk moet ik een boodschap van A’akane mee terugnemen?” Hij keek enigszins onzeker naar de ander maar die had zijn antwoord al lang en breed klaar. “Natuurlijk moet je dat. Als ze een boodschap voor ons heeft, willen we daar kennis van nemen.”

Tugor keek opnieuw naar de plek waar Kalam steeds had gezeten. De uitverkorene zat er nog. Zelden had hij hem zo onbewegelijk en onverstoorbaar gezien. Wat zou zich daar afspelen? Tugor wist dat hij bij die vraag niet lang kon blijven stilstaan. Er zou geen antwoord op komen en er was nog zo veel te doen. Misschien was het het beste om eens met Sede, Foelar en Ranndog afspraken te maken over de aanpak van de vlucht. Met duistere maan? Ja, maar zou het niet ook gewoon overdag kunnen en als er nu eens iets bij de Vogelgrijpers gebeurde, plotseling? Zo maar? Was het dan al niet veel eerder tijd om in te grijpen? Ze moesten overal op voorbereid zijn. Die boodschap moest Rannkark ook overbrengen. Tugor merkte hoe de ene na de andere gedachte zijn hoofd binnenkwam en hoe het leek of de gedachten helemaal zelfstandig met elkaar in discussie gingen. Het was alsof hij de greep op zijn eigen denken kwijt was. Opnieuw keek hij naar Kalam en hij benijdde hem om diens kalme onbewegelijkheid

Dat was maar schijn want net even tevoren was een overmacht aan boodschappen bij Kalam binnengekomen. Ze gaven hem niet eens de kans om zich te bewegen of om van zijn plaats te komen. Hij voelde zich eerder lamgeslagen door de ideeën dan dat hij er energie van kreeg. En het werd nog erger de boodschappen trokken nu als een wervelwind door zijn hoofd zonderdat er ook maar één rust vond. Bij tijden had Kalam het gevoel dat zijn hoofd uit elkaar zou barsten maar dat gebeurde niet en pijn deed het hem ook niet. Nee, het was alleen of een onophoudelijke storm door zijn hoofd blies. Zijn ogen, die konden zich nog losmaken van het helse kabaal van binnen en zij zagen Tugor die zo rustig en kalm de mannen om zich heen verzamelde voor een gesprek. Hij moest eens weten wat een geluk hij had dat hij niet de “uitverkorene” was! zo dacht Kalam.

Kalam had geen flauw idee of Oedar lang aan de andere kant van de rotswand bleef. Het drong zelfs niet tot hem door toen hij zijn ogen open deed en zag hoe de ochtend zon voorzichtig een weg zocht in de grot. De andere mannen lagen nog in groepjes bij elkaar te slapen en zelfs de wachters leken te slapen. Kalam wist dat dat niet waar was. Eén keer had een paar andere mannen geprobeerd ’s nachts uit te breken. Ze hadden hen nooit meer teruggezien. Nee, de rust bij de wachters was alleen maar schijn. 

Langzaamaan begon hij te beseffen dat Oedar al van voor zonsondergang tot na zonsopkomst aan de andere kant van de rotswand verbleef en dat hij nog niets van zich had laten horen. Tegelijkertijd voelde hij hoe de storm aan gedachten en ideeën in zijn hoofd een beetje was gaan liggen al trok er nog wel eens een flinke bries doorheen. Het leek of er wat kalmte in zijn hoofd was ontstaan en of hij weer helderder kon denken. Alsof het geluid van ver kwam, drong nu ook het geschuifel met brokken steen tot hem door. Oedar probeerde zijn weg terug te vinden.

Kalam verschoof van zijn plaats en wrikte nu ook aan de loszittende stenen terwijl hij de wachters voortdurend in de gaten hield. Er begon zich al een opening te vormen toen één van de Vogelgrijpers de grot in kwam. “Werken”, brulde hij. het was een woord dat alle Anth’ mannen waren gaan begrijpen. Toen wees hij op Kalam. “En wat zit jij daar te doen, bij die muur?” Hij kwam met grote stappen dichterbij. Hoewel Kalam geen woord van de woorden van de wachter had verstaan, besloot op te staan en een plek voor de nog maar net geopende doorgang in te nemen. Veel hielp het niet want de Vogelgrijper duwde mem met een bruut gebaar opzij. Onmiddellijk zag hij de opening. Onbegrijpend keek hij Kalam aan maar zijn onbegrip duurde net iets te lang. Een grote steen trof de wachter achter één van zijn oren zodat hij met een klap in elkaar plofte. Hij gaf niet méér dan een zucht en dat was het geluk van de Anth’ want de andere wachters waren niet gealarmeerd. Ondertussen zaten de Anth’wel met het lichaam van de wachters. Wat moesten ze ermee?

Tugor, die de steen had gegooid, had meteen een oplossing. “We maken de opening in de rotswand groter, laten Oedar erdoor en schuiven deze lelijkerd naar de andere kant.” Foelar en Sede waren het daarmee eens maar Kalam zag een probleem. “En als hij  nu eens de weg weet? Dan is hij eerder terug dan dat wij het gat dicht hebben gemaakt.” De mannen keken even nadenkend voor zich uit maar Tugor verbrak de stilte ook weer. “We moeten het risico nemen. Ik denk niet dat de Vogelgrijpers die andere grot echt kennen. Anders hadden ze ons nooit hier aan het bikken gezet. Ze hadden toch kunnen weten dat we op een goede dag in die andere grot zouden uitkomen?” Kalam gaf niet meteen antwoord. Hij wachtte af om te kijken of één van de geluiden in  zijn hoofd er iets over zouden zeggen maar daar kwam niet veel van terecht. Het bleef één grote verwarring in zijn hoofd. “Je hebt gelijk”, zei hij een beetje vermoeid terwijl hij wist dat die moeheid vooral uit zijn eigen hoofd voortkwam. Hij moest zijn vrienden daarvan niet de schuld geven maar zijn eigen gepeins. 

Het had gemakkelijker geleken dan het was. Oedar kwam zonder problemen naar Kalam toe maar de dode of bewusteloze wachter was zwaarder dan de mannen hadden verwacht. Bovendien werden de wachters bij de uitgang van de poort steeds argwanender. Ze misten hun vriend en zagen dat de Anth’ lang niet allemaal aan het stenen bikken waren. Zij kregen het gevoel dat er iets broeide en eindelijk stonden ze op om te kijken wat er aan de hand was. Dreigend, met hun zwaarden in de hand kwamen ze naar binnen terwijl ze probeerden de dusiternis van de diepste delen van de grot te doorboren met hun ogen. 

Was dit Tugors plan? In een onbewaakt moment was de lucht gevuld met rondvliegende stenen. Het leek een regen- of een hagelbui en ook Kalam, Oedar en de anderen moesten er voor wegduiken. De wachters schreeuwden en krijsten het uit en zwaaiden met hun zwaarden wild in het rond. Kalam merkte hoe gevaarlijk dat kon zijn want één van de zwaarden raakte zijn rechter bovenarm. Het bloed stroomde er uit en met moeite kon hij wegduiken voor een tweede slag. Intussen bleven de stenen komen. Kalam wist niets beters te doen dan door de opening in de achterwand weg te kruipenen Oedar met zich mee te slepen. Andere Anth’ volgden. Kalam zocht zich een plekje vlak achter de opening en luisterde en keek goed naar het verloop van het gevecht. Hij zag hoe de wachters één voor één in elkaar zakten en bewusteloos op de grond bleven liggen. Tegelijkertijd kropen steeds meer Anth’ door de opening en nu was het ook duidelijk we de stenen hadden gegooid. het waren de vreemde mannen met wioe Kalam nog nooit contact had gehad. Tugor wel. Na zijn eerste steen had hij het nieuwe plannetje bedacht. De wachters zouden vooral op de Anth’ letten zodat de vreemde mannen de kans zouden krijgen stenen te gooien.

De Anth’ waren nu bijna allemaal door het gat gekropen en sommigen hadden de tegewoordigheid van geest gehad om de zwaarden van de wachters mee te nemen. Ook de vreemde mannen hadden zich van die wapens meester gemaakt. Zij vluchtten niet door de opening die de Anth’ hadden gemaakt maar door de gebruikelijke opening van de grot. Kalam vroeg zich af of de vreemdelingen ook een plan hadden. Als zij zich gewoonweg uit de voeten zouden maken, zou het allemaal iet zo erg zijn. De kans bestond ook dat zij in het dorp van de Vogelgrijpers zouden binnendringen en dan waren de mannen in het dorp gealarmeerd. Dat zou het de Anth’ niet gemakkelijker maken om de vrouwen te bevrijden.

Intussen waren Sede, Ranndog en Rannkark druk bezig de opening te dichten. Voor het oog waren de Anth’ mannen nu verdwenen maar Kalam maakte zich grote zorgen. Wat zouden de Vogelgrijpers doen als zij merkten dat hun slaven waren vertrokken? De meeste vrouwen waren zwanger en verkeerden niet in de beste staat om zich te verweren. Zouden de Vogelgrijpers wraak nemen op de vrouwen? Kalam deelde zijn vrees met Foelar, Sede, Rannkark, Ranndog, Tugor en Oedar en de jonge mannen zagen de gevaren ook wel. Alleen Oedar glimlachte. “Ik denk niet dat je heel bang hoeft te zijn”, zei hij alsof er een voorspelling kwam. “De onrust in het dorp van de Vogelgrijpers is al verschrikkelijk. Zij zijn al in verwarring. Dat heeft de Anthamolan mij beloofd.” Heel even aarzelde hij: “Of liever de “K’awal.”

Ranndog proestte het uit. “De kist heeft het beloofd!”riep hij uit. “Nog even en we gaan ook af op de beloften van stenen en bomen of van wolken en regendruppels…” Hij wilde nog verdergaan maar Kalam kapte hem af. “Dat je geen idee hebt waar het hier over gaat, is niet zo erg”, zei hij boos. “Maar laat je eigen domheid niet zo merken.” Ranndog hield meteen zijn mond maar de blik in zijn ogen beloofde niet veel goeds.

“In het begin”, ging Oedar nu verder gerustgesteld door de steun van Kalam, “in het begin kon ik geen contact krijgen en toen heb ik iets gedaan dat uiterst gevaarlijk was. Ik heb gedaan wat ik Kalam had afgeraden en ik heb de Anthamolan geopend. het werd een heksenketel. Kalam moet het gemerkt hebben want de herinneringen vlogen kriskras in het rond en raakten iedereen aan die daarvoor gevoelig was”, bij deze laatste woorden keek Oedar die in de ogen van Ranndog die deze blik brutaalweg even hard beantwoordde. “Toen de stemmen in mijn hoofd zeiden  dat het kon, heb ik de Anthamolan weer gesloten. Ik kreeg de boodschap dat alle herinneringen van de Anth’ weer terug waren gekeerd. De naam van de Anthamolan zal nu “A’awal na K’awal” zijn: “de verbroken en weer eeuwig gesloten stilte”. Onthoud de naam “K’awal” want ze mag nooit meer geopend worden en ons ook nooit meer verlaten. Wie de K’awal bezit, zal ons volledig beheersen.” 

Ranndog kroop nu dichter naar Rannkark toe en fluisterde. “En dat bepaalt hij. het is alleen maar een manier om ons, wagarden en mannen van de buitenste kring onder de duim te houden.” Maar Rannkark duwde hem van zich af met de woorden. “Je zou eens moeten leren luisteren in plaats van steeds te spreken.” Het was Tugor die de onrust rond Ranndog opmerkte en hij besloot er iets aan te doen. Voorzichtig kroop hij steeds dichter naar de opstandige toe totdat hij dicht genoeg bij hem zat op zijn hand op zijn schouder te leggen.

“Luister”, zei Tugor zachtjes.”Wie zou ij eerder vertrouwen, iemand dieziet waar de weg naartoe leidt of iemand die verdwaald is?” Ranndog keek hem niet ebgrijpend aan maar Tugor legde het uit. “Jij wilt niet geloven maar ik zeg je dat geloven beter is dan niet-geloven want als je niet-gelooft, weet je niet welke kant je op moet. Het gaat er niet om of iets waar is en kan maar of je erin gelooft. Wie gelooft, is doelgericht.” Ranndog keek Tugor wantrouwend aan. “Na’Anth dacht er ook zo over”, sputterde hij tegen. Tugor knikte. “Na’Anth’ is onthoofd. Dat lijkt me geen goed voorbeeld”, zei hij kortaf. Tot zijn tevredenheid zag hij dat Ranndog hem leek te begrijpen. Daarom richtte hij zijn blik weer op zijn vrienden. Het ongeloof en de zonzekerheid in het binnenste van Ranndog voelde hij niet meer.    

Kalam, Oedar, Foelar, Sede en Tugor waren het er al gauw over eens dat het zaak zou zijn om steeds de K’awal mee te nemen of in elk geval precies te weten waar hij zich bevond, of liever “zij”. In de woorden van de mannen begon de K’awal steeds vaer de vorm van eenvrouw aan te nemen en zij noemden haar dan ook steeds meer “zij”.  “Ik weet in elk geval zeker”, zo zei Oedar. “dat ook A’akane boodschappen uit de Anthamolan heeft ontvangen. Het kan haast niet anders of zij heeft begrepen dat er grote veranderingen op komst zijn.” Zijn woorden stelden de anderen wel een beetje gerust maar niet helemaal. Ze bereidden zich voor op een lange weg om de uitgang van de grot te vinden en de vrouwen uit het dorp van de Vogelgrijpers te bevrijden. De dagen van de slavernij bij de vogelgrijpers waren geteld. Alleen…een stekende pijn in zijn bovenarm herinnerde Kalam aan een ander probleem. Bezorgd keek Kalam nog naar de wond. Pas nu merkte hij dat het bloeden nog niet over was.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Men zegt dat de oppergod Odin, die tevens de god van de dichters en van de oorlog was, eens verliefd was op de schone reuzin Grid, die in een grot in de woestijn woonde. Nadat Odin en Grid een nacht samen doorgebracht hadden, overtuigde de god haar ervan zijn vrouw te worden. Uit dit huwelijk kwam Vidar voort, een zoon die even sterk als stil was. Vidar werd gezien als de verpersoonlijking van de krachten van de natuur.

www.theosofie.nl/bibliotheek/documenten/ESO-15-Esoterie%20div.htm

www.digischool.nl/ckv2/romantiek/romantiek/inleiding/germaansemythologie.htm

www.spiritualiteit.com

www.blog.seniorennet.be/ongeloof

www.indeknipscheer.nl/phpBB2/viewtopic.php?t=623

Posted by: politiek | juni 15, 2008

Oedar

pandora

“Hoe kon het eigenlijk dat jij die Vogelgrijpers verstond?” Kalam keek Foelar onderzoekend aan. “Jij was de enige die hun opmerking over de vrouwen en de etensbakken kon begrijpen.” Foelar tuurde naar de grond. Hij voelde zich schuldig omdat hij alles zo in het geniep had gedaan maar hij wist ook dat hij het met de beste bedoelingen had gedaan. “Ik weet het niet”, zei hij zachtjes. “Ik begrijp nu eenmaal waar ze het over hebben. Ik heb heel lang naar hun spreken geluisterd en plotseling begon ik ze te begrijpen. Hoe dat precies is gegaan. dat weet ik niet. Ik heb er expres niets over gezegd omdat ik nooit heb geweten of het echt zo was en…”hij keek Kalam nu aarzelend aan. Ïk dacht dat het beter was als niemand het wist.” Kalam keek nadenkend voor zich uit maar nog voordat hij iets kon zeggen, mengde Oedar zich in het gesprek.

Tot nog toe had de oude, wijze man zich halfslapend gehouden maar nu leek het of zijn belangstelling weer was gewekt. “Je hebt goed gedaan het voor je te houden”, zei hij tegen Foelar. “Ergens in de gamor anth’em is gezegd dat er mannen zullen zijn die de talen van de vogels zullen verstaan, dus waarom ook niet van de Vogelgrijpers?” Kalam vond het vervelend dat de oude man hem in de rede viel maar hij voelde dat hij wel gelijk had. “Nu we weten dat je die taal verstaat”, ging Oedar onverstoorbaar verder, “moeten we er natuurlijk wel gebruik van maken. We mogen dat niet ongebruikt laten liggen.”Ook dat was Kalam met hem eens. “Misschien kun je het ons ook een beetje leren”, voegde hij eraan toe. Foelar knikte. ”We moeten het gaan gebruiken”, gaf hij toe.

Oedar leek nu tevreden maar hij had toch nog een bezorgd gezicht toen hij zich tot Kalam wendde. “De wachters hebben het igestorte stuk muur nu dichtgemaakt maar kunnen we er echt helemaal niet meer doorheen?” Kalam keek nadenkend. “Ik zou het niet weten”, zei hij. “We hebben het nog niet geprobeerd. We moeten oppassen dat de wachters onze pogingen niet in de gaten krijgen.” “Dat is waar”, gaf Oedar toe. “Maar we zullen die opening toch moeten maken als we hier weg willen. Bovendien zou ik die kist aan de andere kant van de muur eens goed willen bekijken. Het is niet zo maar een kist, het is een teken.” Kalam glimlachte. “Zeggen de tonen in je hoofd je  dat?” Oedar fronste zijn wenkbrauwen. “Spot daar niet mee, Kalam. Tot nog toe heb je er zelf ook op vertrouwd!” Kalam slikte een snelle opmerking in en beet zich op zijn tong en lippen. Oedar had natuurlijk gelijk maar de tonen en klanken leken hier, in deze vreemde omgeving nauwlijks nog waarde te hebben. Het ging er steeds meer om kennis te hebben van de omgeving, te verkennen en te onderzoeken. Was niet ook gebleken dat het hele verhaal over “blauw ijs” onzin was? Er bestond helemaal geen blauw ijs, het was een heel ander materiaal: steen. Ookal gebruikten de Anth’ daarvoor een andere benaming dan de Vogelgrijpers, ijs was het niet. En dan, de sluipers. Dit zou het land van de sluipers moeten zijn maar waar waren die dan? Waren de Vogelgrijpers “sluipers”?  Volgens Kalam waren het gewoon mensen, net als de Anth’.

Veel moeite kostte het niet om een kleine opening in de rotswand te maken. Er was net genoeg ruimte om een man door te laten en terwijl de andere Anth’ nog driftiger doorklopten dan anders, zocht Oedar zich een weg. Kalam, Foelar en Tugor druktend de losse steenblokken weer in de doorgang terug zodat de wachters niets zouden ontdekken tijdens hun patrouilles. Oedar hoefde alleen maar aan één van de stenen te wrikken om aan te geven dat hij terug wilde komen.

Dat duurde lang en de ene na de andere hoop stenen vormde zich bij het uithakken van de wanden. De mannen van het vreeemde volk waren nu door de Vogelgrijpers aangewezen om korven met stenen weg te sjouwen naar het dorp. Dat was niet veel leuker dan het uithakken van brokken steen maar het bracht Tugor wel op een idee. “Dat werkt misschien nog beter dan een tekening op een etensvat”, zei hij zachtjes tegen Kalam. Eén van ons moet tussen de sjouwers kruipen. Zo kan hij misschien eens in het dorp kijken en erachter komen hoe het met de vrouwen staat. Misschien kan hij dan zelfs een boodschap overbrengen.” Kalam knikte, hij leek weinig belangstelling te hebben voor het plan van Tugor maar deed net of hij het best vond. Sinds Oedar aan de andere kant van de wand was verdwenen, schreeuwden er weer stemmen door zijn hoofd en klonken er weer woorden en hele zinnen zelfs. Het was vooral Oedars stem die hij hoorde.

In het begin  begreep hij de verhalen van Oedar in zijn hoofd nog niet zo goed maar langzaam aan begon het allemaal meer betekenis te krijgen. Het waren waarschuwingen en soms ook raadgevingen maar ze kwamen verward en onsamenhangend over. Kalam probeerde ondertussen gewoon door te gaan met zijn werk maar de klanken en stemmen in zijn hoofd gaven hem een raar draaierig en zwevend gevoel. Hij begreep dat hij nu niet mocht opgeven. Er hing teveel af van zijn waakzaamheid en wakkerheid. Als hij in elkaar stortte, zouden de wachters naar binnen komen en mogelijk zelfs de doorgang ontdekken. Dat mocht niet gebeuren. Hi haalde een paar keer diep adem en langzamerhand begon hij zich weer wat beter te voelen maar de geluiden in zijn hoofd hielden niet op.

Buiten kroop de zon al weer naar de horizon toe en de laatste rode stralen vielen over het land, sommige bereikten daarbij net de grot waar Kalam en zijn mannen aan het werk waren. Ze hadden de maaltijd, stevig en van goede smaak, net weggewerkt en wisten dat hen nu een periode van rust was vergund. Amtros was klaarblijkelijk van mening dat goed eten en voldoende rust de voorwaarden waren voor sterke en krachtige werkkrachten. Ondertussen maakte Kalam zich zorgen over Oedar. De oude, wijze man had zich nog steeds niet gemeld en naarmate het donkerder werd in de grot, hield Kalam de doorgang beter in de gaten.

Plotseling hoorde hij gemorrel aan de stenen en hij wist dat het zover was. Terwijl een paar jagers de wachters in de gaten hielden, hielpen Tugor en Foelar met het maken van een nieuwe doorgang. Zodra de opening  groot genoeg was, kroop Oedar er doorheen. De oude man had moeite met de doorgang. Het kruipen en slingeren over de harde grond ging hem niet heel gemakkelijk af. 

“Luister”, hijgde Oedar nog na. “Ik heb gelijk gehad. Het is niet zo maar een kist.” Hij pauzeerde even om een paar keer stevig adem te halen. “Deze kist stond in vroeger dagen bij ons bekend als de Anthamolan. Ik herinner me nog tijden dat de kist stond in de kamer van de A’ake.” Oedar wees nu op Kalam. “Dat was in de tijd toen jouw grootvader nog A’ake was. Ik was toen nog een jonge jongen en de mensen spraken maar zelden over de Anthamolan. Daar is een goede reden voor.” Terwijl Oedar zweeg, kropen jagers en leraren en ook een paar wagarden dichter om hem heen om zijn verhaal te horen. Kalam probeerde ondertussen te bedenken wat de naam “Anthamolan” zou kunnen betekenen.

“Luister”, ging Oedar eindelijk verder. Het was buiten nu aardedonker geworden en Oedars woorden leken door de weerklank van de grot bijna uit een grote, onzichtbare mond te komen. Dat maakte op de mannen nog meer indruk. “”Anthamolan” betekent letterlijk “Herinneringen van de Anth”" . In deze kist zijn de herinneringen opgeslagen van Anth’ uit vele, vele voorbije jaren, uit tijden nog voordat Kana’an bestond, van voor de nieuwe wereld. Een tijd waarin Anth’ en sluipers nog vredig naast elkaar leefden. Het is de inhoud van deze kist die de hiksa emanth’ van enkelingen voedt en op basis van alles wat deze kist zei, nam de A’akane in het verleden zijn beslissingen.”  “Een kist die praten kan”, fluisterde Ranndog die niet zoveel op had met zulke verhalen. “Inderdaad, een kist die spreken kan en beter dan veel mensen die veelal er goed aan doen hun mond te houden”,  reageerde Oedar. “We hebben altijd gedacht dat deze herinneringen ons weten en ons denken zou versterken door de klanken en stemmen. Dat zou het goed mogelijk maken om te leven in Kana’an. Gelukkig en in vrede. We zouden een volk zijn met een sterke gamor.” Deze keer liet Ranndog zich niet meer horen toen Oedar even pauzeerde. De oude man kon zijn twijfel en aarzeling niet goed verbergen. Moest hij wel verder gaan? 

Hij schraapte zijn keel en fluisterde de woorden die daarna kwamen. “Ik was nog steeds een jonge jongen toen het bericht de ronde deed dat de Anthamolan was verdwenen…je grootvader was toen ook nog A’akane. Niemand wist waardoor de kist verloren was gegaan al waren er wel verdenkingen. Zo meenden sommigen dat een groep wagarden had ingebroken en de kist had verkwanseld aan de wolvermannen. Anderen meenden weer dat het jagers waren geweest die de kist in ruil voor zeldzame gebruiksvoorwerpen aan wagarden hadden weggegeven. Er waren zefs verhalen over vreemde mannen die, gewapend met zwaarden en zonnedieren, in Kana’an waren doorgedrongen en de kist hadden meegenomen. Niemand wist er het fijne van, ook je grootvader niet. Eerst is hij tijdenlang samen met een groep jagers op zoek geweest naar de kist. Daarna verviel hij tot somberheid en nietsdoen. Later ging het weer beter met hem maar helemaal de oude is hij nooit meer geworden. Ik denk dat het zijn nevelen bespoedigd heeft.”

Niemand wist het fijne van de verdwijning maar zeker is wel dat het vanaf dat moment bergafwaarts ging met Kana’an. De Anth’ vielen uiteen in kringen, er braken oorlogen uit met de wolvermannen en die liepen meestal verkeerd af voor de Anth’en steeds meer mannen uit de buitenste kring verlieten Kana’an en werden wagarde. Toen Kalam Kana’an verliet was zijn vader zelfs bang dat hij niet binnen de gebruikelijke tijd terug zou zijn en de machtsoverdracht aan Rannhald was het dieptepunt. Het was afgelopen met de harmonie in Kana’an.”

“En nu?” vroeg Kalam waarop Tugor bijna meteen antwoord gaf. “We moeten de kist beschermen en met ons meenemen, waar we ook gaan. Dat lijkt me duidelijk”, zei hij maar Oedar schudde zijn hoofd. “Zo eenvoudig is het niet. Er rust nu een vloek op de Anthamolan. Wij hebben toegestaan dat hij in vreemde handen kwam. We hebben de herinneringen daardoor verwaarloosd en mogelijk zijn ze vervuild geraakt met herinneringen van andere volkeren, wolvermannen, Vogelgrijpers en noem maar op. De kist kan niet alleen een zegen maar ook een gevaar voor ons gaan betekenen.” “Hoe kwamen die herinneringen eigenlijk in de kist?” vroeg nu Tugor. Oedar kijkt even zwijgend voor zich uit. “Ik ben er nooit bij geweest maar Panak wel, Hij heeft mij er wel eens over verteld. Eéns in de zoveel tijd, tijdens de duistere maan, kwamen de Anth’ samen in de grote ruimte van Kana’an en dan vertelden de mannen en vrouwen hun herinneringen. Om ze in de Anthamolan te krijgen, moest de A’akane er een “Na tha, na Gamor, na rulia benin. Asta effe rulia grannahin” over uitspreken. Daarmee “vervloog” de herinnering in de Anthamolan. Maar, volgens Panak is dat in de tijd van Kalams grootvader lang niet meer bij elke duistere maan gebeurd.” Tugor knikte. Hij was onder de indruk van het verhaal van Oedar maar er brandde nog één vraag op zijn lippen. Net toen hij die wilde stellen, klonk de vraag al door de ruimte. “Maar hóe kunnen dan de herinneringen van vreemdelingen in de kist terechtkomen. Zij weten toch niet hoe het moet?” Het was de stem van Ranndog, de man die niets geloofde maar alles wilde weten.

Oedar glimlachte. “Je hebt gelijk. jongen”, zei hij langzaam. “Maar toch kan dat. Het kan zijn dat iemand de kist heeft geopend terwijl anderen hun herinneringen vertelden. In dat geval is een “Na tha,” van de A’akane niet nodig. Erger nog, in dat geval kan er veel verwarring zijn ontstaan. Misschien is zelfs een deel van de herinneringen van de Anth’ wel naar de nevelen gegaan, achter hun eigenaren aan.” Kalam moest bij die woorden even denken ana de verwarring en vele stemmen die hij in zijn eigen hoofd had gehoord maar hij durfde er nu even niet over te beginnen, bang voor het veel te snel vallende oordeel.

“En nu?” herhaal;de hij daarom. Oedar glimlachte nog breder. “Het wordt nachtwerk”, zei hij. “Vannacht zal ik de Anthamonal onderzoeken. Ik zal kijken wat ik met mijn beperkte kennis ervan nog kan ontdekken. Sluit mij vannacht maar op bij de kist en ik zal je morgenochtend uitsluitsel geven. Hoe dan ook.” Die laatte woorden klonken Kalam onheilspellend en onbegrijpelijk tegelijkertijd in de oren maar hij wisdt dat hij bij Oedar nu niet verder moest vragen.

De mannen maakten opnieuw een doorgang voor Oedar en gaven hem wat te eten en te drinken mee. Opnieuw worstelde de oude man zich door de nauwe ruimte. Pas toen hij een teken gaf, sloten Kalam en zijn vrienden het gat weer af. “Misschien, misschien, vind je het goed”, begon Tugor meteen, äls we een plan maken voor één van ons die mee kan met de stenenjouwers naar het dorp?” Kalam knikte. “Dat lijkt me een goed plan. Als jullie daaraan werken, dan houd ik me bezig met Oedar en zijn terugkeer over een tijdje.” Hij kroop met zijn rug tegen de stenen die de doorgang vulden aan. “Misschien heb ik wel eerder contact met hem dan je denkt”, lachte hij. Ook Tugor lachte maar Ranndog haalde zijn schouders op terwijl Rannkark nieuwsgierig maar onbegrijpend voor zich uitkeek. Sede probeerde een intelligent gezicht te trekken maar toen Rannkark aan hem vroeg wat Kalam met zijn opmerking bedoelde, siste hij alleen maar “Dat weet ik ook niet.” Samen voegden ze zich bij Tugor en de zijnen om iemand uit te kiezen voor de gevaarlijke onderneming om met de stenensjouwers mee te lopen.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

De Doos van Pandora is een verhaal uit de Griekse Mythologie en draait om Pandora, de eerste vrouw die werd gemaakt door Hephaistos. Hij creëerde haar uit water en aarde.
Zeus , de oppergod was kwaad op Prometheus, die tegen zijn verbod in het vuur had gestolen en aan de mensheid had gegeven. De mensen werden veel te machtig hierdoor ene Zeus wilde de mensheid een lesje leren. Hij gaf Hephaistos vervolgens de opdracht deze vrouw te scheppen. Pandora was beeldschoon. Zij kreeg van alle goeden gaven en één ervan was een vat (volgens andere overleveringen dus een doos) waarin alle narigheid van de wereld zat opgesloten, zodat zijzelf er nooit door zou worden getroffen.

 

www.grieksegids.nl/mythologie/pandora

www.gr.nl/pdf.php?ID=88

www.anencephalie-info.org/nl/herinneringen.php

www.levendeherinneringen.nl

 

 

 

 

Posted by: politiek | juni 8, 2008

De vondst

Ark

De schok van de onthoofding van Na’Anth had de mannen nu wel verlaten hoewel zij nog wel eens terugdachten aan de onbesuisde jongeman met zijn wonderbaarlijke ideeën. Vaak hadden Kalam en Tugor nog gesprekken over hem en probeerden ze zich voor te stellen hoe Na’Anth gereageerd zou hebben op woorden of gebeurtenissen maar heel vaak hadden ze daarmee grote moeite. Heel vaak mengden ook Darik, de zoon van een grootjager, Rannkark, Ranndog, beiden wagarde en Foelar en Sede, zonen van wijze mannen in het gesprek. Ja, de groep mannen die met elkaar praatte breidde zich uit al trok Oedar zich steeds meer terug. De mannen vormden in hun opgeslotenheid een vriendenclub maar de grote, oude wijze man leek het allemaal niet zoveel te kunnen schelen. Het werk in de steengroeve was voor hem ook eigenlijk te zwaar ook al namen andere mannen het graag van hem over.

“Hoe nu verder?” Ranndog verwoordde als eerste de vraag die allen bezighield zo duidelijk. “We blijven toch niet voorgoed hier?” De andere schudden hun hoofd. Daarvoor waren ze niet zover komen lopen. “Maar het zal niet meevallen om hier weg te komen”, begon Tugor. “Het doel van de Volgelgrijpers is duidelijk. Zij willen het blauwijs of hargra uit deze grot hebben om mee te bouwen. Wij moeten dat voor hen doen, samen met hen.” Hij wees op een groep mannen die al vóór hen in de groeve aan het werk waren geweest maar waarmee ze haast geen contact hadden omdat ze alles een andere naam gaven dan de Anth’ . Het was doodeenvoudig te moeilijk om contact met elkaar te hebben. En wat zou het opleveren? Misschien alleen maar meer gesprekken en geruzie ook en verder… “En dan is er nog iets”, ging Tugor verder. “We hebben geen contact met de vrouwen. Als we weggaan, moeten we hen meenemen maar hoe doen we dat als we elkaar nooit spreken?” “Daar komt bij dat heel veel van hen zwanger zijn. Dat zal het niet gemakkelijker maken”,  meende Kalam.

De mannen zwegen want géén van hen wist een oplossing totdat Foelar opstond. “Misschien heb ik een idee”, zei hij plotseling. Hebben jullie wel eens gezien hoe ons eten en drinken hier komt?” De andere mannen haalden hun schouders op. “Ja natuurlijk.” Foelar knikte tevreden.”Dan hebben jullie ook gezien dat ons water hier steeds in een grote bak in het midden wordt gezet zodat we er uit kunnen slobberen, net zoals de dieren bij de rivier doen?” Weer knikten de anderen. “Mooi zo”, Foelar werd nu enthousiast en zijn stem begon gehaaster en hoger van toon te klinken. “Nu heb ik gemerkt dat het heel gemakkelijk is om een kerf in het materiaal te maken. Stel je nu eens voor dat we een tekening in het materiaal maken, een afbeelding van Kana’an of zo? Of van een roofkop of een waterluiaard? Iets dat de Vogelgrijpers hier niet kennen. Iets dat alleen wij, Anth’ kennen? Rannkark keek Foelar onbegrijpend aan. “Ik snap nog steeds niet waar je naartoe wilt”, zei hij. Foelar knikte. “Je bent vast niet de enige, Rannkark, maar ik denk dat onze vrouwen in het dorp van de Vogelgrijpers de vaten schoon moeten maken en weer vullen.” Deze keer raakte Tugor vol onbegrip”"Hoe kun je dat weten?” Foelar grijnsde. “Wat zouden ze anders moeten doen? Wat zouden wij vrouwen laten doen als we ze gevangen hadden?” Tugor knikte. “Ja, misschien, maar zekerheid heb je niet.” Foelar fronste zijn wenkbrauwen om te laten merken dat hij het ernstig meende. “Nee, hoewel ik één van de bewakers wel eens zoiets heb horen zeggen.” Deze keer keken de anderen hem nog verraster aan. “Echt waar”, ging Foelar verder. “Op een keer hadden we onze etensbak maar half leeg gegeten. Toen zei één van de wachters. :”Nou, daar zullen jullie vrouwen van genieten.” Foelar maakte zijn vrienden duidelijk wat hij daaruit had opgemaakt. “Die bakken komen bij onze vrouwen terecht. Dat kan haast niet anders!” De anderen moesten nu toegeven dat het er de schijn van had. “Maar wat wil je ermee?” wilde Rannkark nu weten.

“Luister”, Foelar boog zich verder naar voren en fluisterde haast tegen de andere mannen. Ook de wagarden zagen dat en zij kropen dichterbij. Zij begrepen dat er een spannend gesprek gaande was. Ja, dat gesprekken spannend konden zijn, hadden zij van Na’Anth  geleerd. “Als wij een teken op de pot krassen dat alleen de Anth’ kennen, dan zullen de vrouwen dat misschien opmerken. Zij zullen begrijpen dat we contact zoeken en er een reactie onder tekenen, als ze kunnen. Zo kunnen we boodschappen uitwisselen en misschien afspraken maken. Ik denk dat A’akane bijvoorbeeld op zo’n teken van ons zit te wachten.”

Kalams gedachten dwaalden af naar zijn vrouw en de plek waar zij zich zou bevinden. Hij kon zich er niets bij voorstellen omdat ze als man bijna alleen maar in de grot waren geweest. Van de omgeving en van het dorp hadden ze weinig gezien. Toch kreeg hij het gevoel dat Foelar de waarheid sprak, het goed had gezien. Het idee van de jonge leraar zou wel eens hout kunnen snijden. “Ik ben er niet tegen”, begon hij langzaam, “Maar ik vind dat we het aan Oedar moeten vragen. Hij overziet de dingen vaak beter.” Tugor schudde zijn hoofd meteen. “Dat lijkt mij niet. Jij bent de uitverkorene, als jij het een goed idee vindt, dan moet dat voldoende zijn.” Hij draaide zich om en keek naar de oude, wijze man die alweer zat te slapen. “Ik weet het niet, Oedar is volgens mij te moe voor dit soort vragen.”

Hij had die woorden nog maar net gesproken of twee wachters met knuppels naderden hun kring. “Werken, werken”, schreeuwden ze woest en ze begonnen met hun knuppels maar vast te zwaaien. De wachters hadden meestal weinig geduld en sloegen eerder dan dat ze spraken. “Kom op, genoeg gerust. Als ze gaan slaan, hebben we geen kracht meer om hier weg te komen.”, meende Kalam. De mannen sprongen overeind en rekenden naar hun bijlen waarmee ze haast als razenden op de rotsen inhakten. Het leek wel of de nieuwe plannen ook nieuwe kracht hadden gegeven. De knuppelaars zagen het tevreden gebeuren en waren te lui om er verder op los te ranselen. Ze keerden terug naar hun wachtpost om opnieuw in een halve slaap te duikelen, drinkend van hetzelfde drankje dat de Anth’ op de eerste avond bij de Vogelgrijpers ook hadden gehad.

Het regelmatige gebeuk van de bijlen in de rotsen klonk Kalam haast als een aankondiging van de vrijheid in de oren ookal besefte hij dat er nog veel werk te doen was. Ze zouden zich de misdragingen van de Vogelgrijpers nog heel lang moeten laten welgevallen maar misschien kwam ooit de dag van de wraak. Hoewel het ging er toch ook alleen maar om hier weg te komen? Wraak, ach, eigenlijk keek Kalam daar niet zo naar uit. Het zou voor de Vogelgrijpers al genoeg tegenslag zij als de werkers in de grot weg waren en…Kalam was vast van plan om ook de mannen van het vreemde, onverstaanbare volk daarbij te betrekken.

Het leek of de grot instortte. Het geraas van steenblokken leek niet op te houden en temidden daarvan klonk het geschreeuw van Sede. Hij renden naar het midden van de grot en bloedde aan zijn hoofd en handen. Toch riep hij niet om hulp al klonk zijn stem smekend. Ze klonk bevelend tegelijk. “Kom kijken, kom kijken”, riep hij uit terwijl stof van neerdalend puin hem bijna aan het oog van iedereen ontrok. Het klonk als een feest maar ook als verwarring. Kalam en Tugor keken om zich heen om te zien of de wachters erg veel belangstelling voor hen hadden maar dat leek niet het geval te zijn. Ze keken op en uit hun gezichten sprak vooral verveling, iets als “o, die werkers hebben weer eens iets”. Ze waren stuk voor stuk te lui om overeind te komen. Dat was maar goed ook want op de plaats waar de ritswand was ingestort, tekende zich een groot gat af. Met gemak kon een man er doorheen als hij een klein beetje bukte. Opnieuw keken Kalam, Tugor, Foelar, Sede, Ranndog en Rannkark om zich heen. De wachters kwamen nog steeds niet in beweging en deze keer besloten de mannen door het gat te kruipen. Een groepje jagers en wagarden sloop achter hen aan maar Oedar toonde geen belangstelling. Hij sliep. 

Ze stonden in een andere grot, een grote ruimte zoals die ook was geweest bij de Zee van Hoop, alleen was hier geen water. Er was wel iets anders want bijna recht voor Kalams voeten stond een grote kist met vier handvatten. De kist was gemaakt van hetzelfde materiaal als de etensbakken waaruit de mannen elke dag aten, het bomenstof of “beak” zoals de Anth’ het noemden. Verwondering maakte zich van Kalam en zijn vrienden meester want hoe kwam die kist hier? Wat was het voor ding? De mannen knielden rond de kist en Kalam kon nauwelijks een schreeuw van verbazing onderukken. Midden op het deksel was een kop van een groottand uitgesneden. Met trillende handen wees hij het aan. Ondertussen veegden Tugors handen het stof van het deksel en daar verschenen tekeningen in het hout. Het donkere bruin van de kist werd er afgewisseld door geelachtige en witte kleuren. De mannen zeiden geen woord maar hun verbazing uitte zich in kreten want daar stonden afgebeeld Kana’an, een groep loopvoeters, vreemde mannen met zonnedieren, het gezicht van Kalams vader en van Rannhald en van Kalam. “Het is een heel verhaal”, meende Foelar. “We moeten dat gaan begrijpen maar ik zou ook willen weten wat er zich in de kist bevindt.” Ook Tugor trok een ongeduldig gezicht maar Kalam legde zijn hand op hun handen.  ”Wij zullen deze kist niet openen voordat we het verhaal begrijpen”, zei hij ernstig. Ongerust keek hij nog eens in de richting van de wachters die nu toch aanstalten maakten om overeind te komen. “Allereerst zullen we haar verbergen voor hen”, ging hij verder. Terwijl de wachters de grot nu binnenkwamen, tilden de mannen de kist aan de handvatten op en zij zetten hem weg in een donkere hoek achter het gat in de rotswand.

“Niet werken?” vroeg de hoofdman van de wachter dreigend en hij hoef zijn knuppel al op maar Tugor wees op Sede. “gewond”, zei hij snel. “We hebben stenen op ons hoofd gehad.” De hoofdman grijnsde alsof hij het een verdiend loon vond voor die “luie werkers”. “OK”, zei hij ten slotte. “Zorg ervoor en dan weer gauw aan het werk.” Dat beloofden de mannen en het leek erop of de wachters weg wilden lopen maar toen zag één van de mannen het gat in de rotswand. ”Hij slofte er op zijn gebruikelijke, slome manier naartoe, keek in de grot achter de wand en riep zijn hoofdman erbij.

“Het zal niet lang duren”, meende Tugor toen de wachters weg waren, “of die wachters gaan het gat dichtmaken. Ze begrijpen net zo goed als wij dat die grot hierachter een uitweg naar de buitenwereld betekent, voor ons.  We moeten niet te lang aarzelen. Wat gaan we doen?” Op Foelars gezicht kwam een sluwe glimlach. “Ik stel voor dat we allemaal in die achterste grot kruipen. We verschansen ons en als die knuppelaars door het gat binnenkomen, gooien we ze stenen naar hun kop. Ze hebben wel betere wapens dan wij maar daarvan hebben ze nauwelijks profijt in die smalle doorgang. Er kan maar één man tegelijkertijd doorheen.” “Goed plan”, meende nu Ranndog ook. “Ondertussen ga ik met een groep wagarden uitzoeken waar de uitgang is. Zodra we die hebben gevonden, laten we iets horen.”"OK, maar ik doe met jullie mee”, zei Sede die de wagarden nooit helemaal had leren vertrouwen. “Mij best”, bromde Ranndog, ” maar ik voer de wagarden aan.” “Nee, niet best”, meende Tugor nu. “We hebbenSede hard nodig om die Vogelgrijpers tegen te houden. We vertrouwen op jou, Ranndog”, zei hij. Sede wilde daartegen iets in brengen maar hij zag aan Kalams gezicht dat deze het eens was met Tugor en dus hield hij zijn mond. ”Eén ding”, zei Kalam. “Die kist gaat mee, hoe lastig ook.”  Het was vooral Sede die protesteerde maar zijn sten werd door de anderen niet gehoord. “O ja”, gooide Tugor nog in het midden. “Wat doen we met die vreemde mannen?” Alweer kwam op Foelars gezicht een slimme glimlach. “Het zou mooi zijn als die kerels de wachters een beetje voor de voeten liepen.”

Service

Volgens de Ethiopische overlevering bevindt de heilige Tabot, de oorspronkelijke Ark des Verbonds, zich in het bezit van de wachter.

Volgens deze wachter was de Ark in zijn bezit gekomen doordat de Ethiopische koningin van Sheba naar Jeruzalem was geweest en daar zwanger was geraakt van koning Salomo. Zij baarde in Ethiopië een zoon Menelik, die op twintigjarige leeftijd naar Israël reisde om het hof van zijn vader te bezoeken. De hovelingen drongen er bij Salomo op aan dat hij naar Ethiopië zou worden teruggestuurd. Salomo stemde daarin toe, op voorwaarde dat de oudste zonen van deze hovelingen met hem mee naar Ethiopië zouden reizen, In hun gezelschap was ook Azarius, de oudste zoon van Zadok, de hogepriester van Israël. Het was Azarius, niet Menelik, die de Ark des Verbonds uit de tempel van Jeruzalem heeft gestolen. Menelik kreeg pas onderweg over deze diefstal te horen, maar hij begreep dat Azarius en zijn vrienden nooit tot zo’n stoutmoedige daad in staat zouden zijn geweest zonder de hulp van God. Daarom stemde hij erin toe dat de Ark bij hen zou blijven. Zo kwam de Ark in Ethiopië terecht en zou daar sindsdien blijven.

www.home.hetnet.nl/~fm-ter-horst/Ark%20des%20Verbonds.htm

www.grenswetenschap.nl/permalink.asp?grens=489

www.purefantasy.nl

 

www.mythologie.wordpress.com

www.kajman.wordpress.com,

-

Posted by: politiek | juni 1, 2008

Leven in de schaduw

schaduw

Toat’ had het niet moeilijk in de donkere straatjes van het dorp. Weliswaar verlichtte de volle maan sommige delen maar er was steeds schaduw genoeg om zich in te verstoppen. Elke keer als weer een groep vrouwen voorbijtrok, duwde Toat’ zich stevig tegen de muren van de huizen aan en niemand scheen haar op te merken. Het duurde dan ook niet lang of ze had het plein voor de tempel bereikt. Daar wemelde het van de vrouwen en jongemannen, mannen nog die niet mee mochten doen aan jachtpartijen of de strijd. Toat’ herkende er verscheidene van de tochten naar de rivier om water te halen. De jonge mannen hadden hun gezicht voor de helft oranje en voor de helft zwart geschilderd. Hun ogen lichtten wild op door de grote verzameling zonnedieren midden op het plein.

Vlak voor de tempel was een flinke ruimte vrijgehouden. De meeste vrouwen deden angstvallig moeite om ver van die plek te blijven. Intussen hoorde Toat’ hoe het gerommel van trommels en het gebrom van een ander instrument opnieuw begon aan te zwellen. Het overstemde nog niet het onderlinge gepraat van de vrouwen op het plein maar het werd toch steeds duidelijker hoorbaar. Plotseling zwaaide de grote deur aan de voorkant van de tempel open en daar verscheen één van de priesteressen die met beide handen een grote, brede man vasthield. Het was zeker één van de krijgers van de Vogelgrijpers en hij straalde zelfvertrouwen en kracht uit. Met grote, machtige passen liep hij voor de tempel langs terwijl hij met zijn heupen wiegde als was hij van plan de vrouwen op het plein stuk voor stuk tot de zijne te maken. Midden voor de tempel bleef hij staan terwijl de priesteres haar greep op zijn armen leek te versterken. Het geroffel van de trommels en het gebrom van de muziek werd sterker. Een paar vrouwen wapperden met hun rokken rond de zonnedieren zodat die reikhalzender en hoger gingen uitkijken dan ooit te voren. Hun tongen groeiden bijna tot dezelfde hoogte als de rand van het tempeldak.

Een schreeuw en een beweging. Voor Toat’kwam het zo onverwacht dat ze zelf bijanook een gil had gegeven. Ze kon het geluid nog net bijtijds inslikken zodat ze zichzelf niet verried. Het zou zonde zijn geweest want ze had een uitstekend plekje gevonden in de schaduw van één van de huizen rond het plein. Daar had ze een verhoging gevonden om op te zitten. Daarvandaan zag ze duidelijk hoe een vrouw op de lege plek voor de tempel was gesprongen en begon een woeste dans uit te voeren. Met een zwaard sloeg en hakte ze wild om zich heen terwijl ze op de tonen van de muziek meekrijste. het was een spookachtig schouwspel waarbij schaduw, licht en beweging bijna één geheel begonnen te vormen met muziek en gezang. Toat’ voelde hoe ze haar plek haast vergat en de behoefte kreeg om ook te gaan dansen en springen. Het zou onzin zijn geweest en ze kon zichzelf redden door een stem die erg veel op die van A’akane leek en die haar vertelde te blijven waar ze was.

Nu sprong een tweede vrouw naar voren. Ook zij draaide, sprong en krijste en zwaaide met een zwaard in het rond. Plotseling, nog voordat Toat’ het had zien anakomen, raakten de zwaarden elkaar. Het leek Toat’ aslof er kleine zonnedieren van de zwaarden afsprongen. En daar…daar gebeurde het weer. De ene slag volgde nu op de andere. Het leek alsof de vrouwen er op uit waren elkaar te doorboren en toch gebeurde dat ook steeds weer niet. Ze dansten in wervelende passen om elkaar heen, keerden elkaar de rug toe en keken elkaar heen en sloegen uit allemacht met de zwaarden tegen elkaar. De vrouw die het laatste het strijdperk had betreden zag er het sterkste uit en ze was ook iets groter dan haar tegenstandster maar deze had het voordeel van snellere en haastiger voeten. Zij haalde van tijd tot tijd ook met één been uit naar haar tegenstadster zodat deze opzij moest springen om niet te vallen. Toat’ hield haar adem in en kon maar met moeite voorkomen dat ze zo nu en dan een waarschuwende kreet liet horen. Ze merkte niet eens hoe ze op haar plaats heen en weer zat te wiebelen van spanning. Ze beet zich op haar lippen tot het bloed eruit sijpelde maar voelen deed ze het niet…

Daar ging ze onderuit. De groterem sterkere vrouw was gevallen en de kleine, snelle zette nu triomfantelijk haar voet op de buik van haar tegenstandster. Ze leunde op haar zwaard en keek naar de man en de priesteres bij de tempel. De priesteres gaf nu een harde ruk aan de grote, sterke man en sleurde hem achter zich aan. Het leek of de man zich verzette maar als hij had gewild had hij de vederdunne priesteres met gemak kunnen tegenhouden. De beiden liepen tot vlak voorde winnares van het tweegevecht. Daar legde de priesteres de hand van de man in de hand van de vrouw die als overwinnaar uit de slag naar voren was gekomen. Er guign een opgewonden geschreeuw en gegil door de massa vrouwen op het plein. Bijna had Toat’zich laten verleiden om mee te gillen maar ze bedacht zich toen ze twee vrouwen en een jongeman bijna recht op zich af zag komen. Ze voelde hoe haar hart stilstond maar ze aarzelde geen moment. In een snelle en soepele beweging gleed ze van haar zitplaats naar de lager gelegen plek daarachter.

De jonge jongen en één van de jonge vrouwen gingen nu op de plek zitten waarvan Toat’ nog maar net was weggevlucht. “Ik wil dat je om me gaat strijden”, zei de jongen tegen de jonge vrouw. “Ik ben bijna een krijger en dan zal ik je kunnen dienen zoals dat hoort.” “Bijna, bijna”, lachte de jonge vrouw bijna spottend. “Wat heb ik daaraan?” “Ik ben op zoek naar een echte, volwassen krijger zoals Brutul.” Deze keer was het de beurt van de jongen om te lachen. “Brutul? Die heeft het oog laten vallen op Tunxa, een heel wat ervarener vrouw dan jij. Je hoeft er niet op te rekenen dat hij die strijd zal laten plaatshebben.” “Ach”, zei de jonge vrouw. “Als mijn vader het wil.” Haar stem klonk opstandig en nuffig alsof ze gewend was altijd haar zin te krijgen. De jongen keek een tijdje stil voor zich uit en zijn hand raakte de had van de jonge vrouw die hij Xanta noemde. Ze trok zich niet meteen terug maar liet de jongen begaan. Daarvan maakte Toat’ gebruik door tussen de beide minnaars door te kijken. Zo zag zij hoe de winnares van het zwaardgevecht met de brede, sterke krijger zich onder de vrouwen begaf. Het duurde niet lang of een nieuwe krijger verscheen, begeleid door een priesteres. En weer traden twee vrouwen tegen elkaar in het strijdperk.

Zo ging het een hele tijd achter elkaar. Steeds weer ging de overwinnaar er met een grote, dappere en sterke krijger vandoor. Langzamerhand begon Toat’ het door te krijgen. De vrouwen vochten met elkaar om een man en mochten de buit meenemen. Ook als die “buit” voor die tijd bij een andere vrouw had gehoord, dan wisselde hij op dat moment toch van vrouw. Voor Toat’ was het een opwindende gedachte. Bij de Anth’ had altijd de A’ake bepaald wie er met wie ging trouwen en in de buitenste kring was het een voortdurend recht van de sterkste. De brutaalste mannen namen daar gewoon de meeste vrouwen. Dat was hier anders. Toat’ zag zichzelf al als overwinnaar uit de strijd komen en Tugor met zich meeslepen! Ze voelde zich van binnen warm worden en een flauwe glimlach kon ze niet onderdrukken. Ze konden best iets van die Vogelgrijpers leren, dacht ze.

Haar gedachten werden onderbroken toen Amtros in de deur van de tempel verscheen, net als de voorgaande mannen stevig vastgehouden door een sprietdunne priesteres. Toat’ keek naar het prachtige, gespierde en glimmende lijf van de hoofdkrijger  en ze moest zichzelf in ernst eerst vertellen dat ze bij Tugor duizend keer zoveel kans maakte. Zij wel maar niet de kleine, ietwat kromlopende vrouw die het strijdperk betrad en aan haar dans begon. In het begin lachten de vrouwen van het publiek maar toen zij zagen hoe vervaarlijk zij met haar zwaard slingerde en met haar benen schopte, verstomde het gelach. En daar, daar sprong de Vederaar in het strijdperk. Deze keer wierp zij haar hele verenpak af en hield zij slechts een kort broekje aan, net als de andere vrouwlijke vechtersbazen. En inderdaad, het was Mefista!

In het begin leek het Toat’ een oneerlijke strijd want de tegenstandster van Mefista was weliswaar snel en wendbaar maar de Vederaar was lang, krachtig, jong en ook al razendsnel in haar bewegingen. Bovendien gloeide in haar ogen een licht dat Toat’ eerder had gezien bij de vrouwen van de grootjagers: trots en gekrenktheid. De zwaarden raakten elkaar en draaiden om elkaar heen. De kleine vrouw raakte twee keer Mefista op één van haar borsten en aan één van haar armen. Tot twee keer toe trok de Vederaar zich in haar hoekje terug maar haar ogen waren nog steeds van woede vervuld, ja het leek wel of zij van binnen een zonnedier bezat en of zij er op reed. De muziek klonk nu steeds harder en het geroffel ging sneller. De strijd duurde zolang dat iedereen spoedig de beslissing verwachtte. En die kwam maar anders dan de vorige keren. het zwaard van Mefista schoot in een razende beweging dwarsdoor de buik van haar tegenstandster. In een flitsende beweging haalde zij haar zwaard omhoog zodat de ander bijna in tweeën werd gescheurd. Bloed spatte in het rond en drong onmiddellijk door in het zand van het plein. Een gil, gekrijs en toen was het uit.

Toat’ sloop opnieuw door de schaduw van de straatjes naar het huis terug. Ze voelde zich misselijk door wat ze had gezien. Hoe de vrouwen op het plein zich hadden geworpen op de doodgestoken vrouw en de stukken vlees uit haar hadden gesneden om het naar binnen in de tempel te brengen. Ze smeerden hun gezichten met het bloed in terwijl Mefista haar gevederde kleed weer aantrok en Amtros met zich meesleepte. “Laat dit bloed een zegen zijn voor alle nieuwe banden”, zei zij. “Een zegen van Martus”. Daarna vertrok ze met Amtros naar het binnenste van de tempel.

“Verschrikkelijk”, A’akane keek M’aga en Toat’ aan. “Ze zijn niets beter dan Rannhald. Hoe eerder we hier wegkunnen, des te beter.” De beide andere vrouwen beaamden dat maar het zag er niet naar uit dat het gauw zover zou komen. Op de dag na Mefista’s  overwinning hadden jonge vrouwen met blote handen gevochten met elkaar om jonge mannen en Xanta was er niet in geslaagd om Brutul voor zich te winnen. Daarna keerde het dagelijkse leven terug en de Anth’ vrouwen moesten weer netzo op hun tellen passen als voor die tijd. Het ergerde A akane ondertussen wel dat Ira steeds meer te zeggen kreeg in huis. het leek wel of zij door Mefista werd beschouwd als hoofd van de huishouding. Aan de andere kant kon A’akane zich dat wel voorstellen. Mefista probeerde haar en Ira tegen elkaar op te zetten. Dat verkleinde de kans op opstand. Toch was A’akane niet van plan het op te geven. Ze berustte en sprak met Toat ‘en M’aga af het juiste moment af te wachten. De dagen verstreken en werden weken en zelfs maanden…  

Http://mythologie.wordpress.com

Service

De Vestaalse maagden (Officieel: Sacerdotes Vestales) waren priesteressen van de Romeinse godin Vesta. Zij verbleven in het atrium Forum.Dit lag vlak bij de tempel van Vesta waarvoor het eeuwige (haard)vuur brandde. Het was de Vestalinnen opgedragen dit vuur brandend te houden, een dienst die van belang was voor de hele gemeenschap. Het Vestaalse vuur mocht nooit doven.

www.dichttalent.nl/?nav=orthKsHrGmKhLkBgE&gedsel=kblbhCsHrGmKhLAkfXpfXDKLczB

www.skepsis.nl/orbs.html

www.satura-lanx.telenet.be/Vita%20Romana/02_Vita%20Romana_dagelijks%20leven/16_3F.htm

www.xantippe.skynetblogs.be/post/5629735/romeinse-slaven

Posted by: politiek | mei 25, 2008

Slapeloos

amazone

De hele dag hing er een gespannen sfeer in de lucht. De vrouwen van de Vogelgrijpers schreeuwden harder en gemener naar elkaar dan anders en ze liepen zenuwachtiger heen en weer terwijl ze minder deden. Ze joegen A’akane en haar vriendinnen ook meer op dan op andere dagen en de jonge mannen hadden er deze keer plezier in hen te pesten, expres tegen ze op te lopen als ze met een bak water sjouwden zodat ze opnieuw aan het werk moesten en zo ging het maar door. 

Het bracht de mannen niet thuis. Een paar vrouwen van de Vogelgrijpers stonden bij de hoofdpoort van het stadje op de uitkijk maar het verlossende woord klonk niet. Ondertussen verzamelden de vrouwen en een deel van de jongemannen zich op het plein rond de tempel in afwachting van de komst van de Vederaar. Het viel A’akane in het voorbijgaan op dat Mefista nergens was te bekennen. Ook in huis was zij niet. Dat betekende trouwens niet dat A’akane het nu veel gemakkelijker had gekregen want de dochters van de vrouw des huizes gingen als feeksen tekeer en schreeuwden en gilden tegen de “dienstmeiden” alsof ze zelf de baas waren. Ja, het leek wel of ze meer hun best deden dan anders. “De vrouwen zijn erg in de war nu de mannen wegblijven”, fluisterde A’akane eerst in zichzelf en later tegen Ira, Toat’ en M’aga. Ze lette vooral op hoe Ira reageerde maar veel reactie kwam er niet. het leek of het haar koud liet hoewel A’akane een zachte toon in haar hoofd hoorde die afgestemd leek te zijn op de hare. Ze glimlachte verwachtingsvol. Misschien kon ze met Ira toch nog een soort bondgenootschap sluiten. Misschien wilde ook Ira niets liever dan weggaan, vluchten van hier…

De reacties van M’aga en Toat’ waren heel wat opgewekter. Vooral Toat’ leek er meteen een kans in te zien om meteen de poort uit te wandelen. “Dat zou ik liever niet doen”, meende M’aga. “De kans is groot dat we de Vogelgrijpermannen tegen het lijf lopen en dan zijn we pas echt de klos.”’A’akane was het met haar eens. “Als we hier weggaan”, fluisterde ze weer. dan zal het op een moment zijn dat we er goed over hebben nagedacht.” Eigenlijk hoefde ze niet te fluisteren want de vrouwen van de Vogelgrijpers waren allemaal het huis uit. Ze waren naar het tempelplein vertrokken. Toch hield A’akane haar stem gedempt want Ira moest nog ergens door de gangen waren, soms klonken haar voetstappen overal in huis en helemaal te vertrouwen was ze vast niet. Natuurlijk, ze zou de taal van de Anth’ nauwerlijks kunnen verstaan maar het geheimzinnige geklets met elkaar zou haar misschien argwanend maken en wat zou ze dan doen? A’akane wist nog niet goed wat ze aan Ira had.

Het werd laat en de sterren stonden al heel lang aan de hemel toen de vrouwen van de Vogelgrijpers thuiskwamen. Alleen…A’akane, M’aga en Toat’hoorden het gestommel terwijl ze nog bij elkaar zaten en zonder een woord te zeggen. haast geruisloos verlieten ze elkaar. Alleen een zachte windvlaag over de vloer was te horen, gemengd met zacht getik van tenen op de grond. De Vogelgrijpervrouwen zelf waren heel wat minder geluidloos. Ze bonkten en stampten door het huis, lieten soms een schelle lach horen om vervolgens weer wat woeste woorden naar elkaar te schreeuwen maar lang duurde dat niet. Al gauw was het hele huis in rust en zo hoorde A’akane elke tik en ieder geschuifel in het huis. Geschuifel was er altijd door de trippelende diertjes die ’s nachts uit hun holen en holletjes kropen en probeerden iets te eten te vinden. 

Het bleef lang stil die ochtend maar voor A’akane was dat geen reden om in bed , of tenminste op haar berg stro, te blijven liggen. Zij wist wat er van haar werd verwacht en dacht dat het niet erg verstandig zou zijn om nu misbruik te maken van de rust in het huis. Eenmaal uit bed merkte zij al gauw op dat Ira al lang op was en…dat zij in gesprek was met de oudste dochter van Mefista. Klaarblijkelijk verstond zij de taal van de Vogelgrijpers heel goed. A’akane besloot zich niet te laten zien maar haar oren goed de kost te geven. Mefista’s dochter gaf Ira de ene  na de andere opdracht en steeds zei zij erbij: “Maar je hoeft het zelf niet te doen hoor. Laat die doofstomme vreemde vrouwen zich maar uitsloven. Ze zijn hier niet voor niets met zoveel.” Ira had alleen maar geknikt om aan te geven dat ze de opdrachten begreep. Was het de bedoeling tweedracht te zaaien tussen Ira en de Anth’vrouwen? A’akane was blij dat ze op haar tellen had gepast in haar contacten met Ira.

“Je kunt meesteres van het huis worden”, ging de dochter van Mefista verder. “Dan hoef je niets meer te doen, alleen maar op het lagere volk, die gekke wijven, te passen. Is dat ook niet eigenlijk wat je wil?” Ira knikte opnieuw maar ze zei geen woord. “natuurlijk moet mijn moeder het allemaal goedkeuren maar ik denk dat het goedkomt. Pas dus goed op de meiden en vertel het ons als er iets aan de hand is”, besloot het meisje en weer knikte Ira trouw terwijl ze in de taal van de Vogelgrijpers “Dankuwel” uitbracht. “ga nu maar”, de stem van Mefista’’s dochter klonk nu weer even koel als anders en Ira keerde zich om. Nog voordat ze de kamer van het meisje had verlaten, had A’akane zich uit de voeten gemaakt maar al na een paar stappen hield ze in. Misschien was het goed om duidelijk te maken aan Ira dat ze in de buurt was. Ira zou gaan twijfelen of A’akane iets had gehoord en wat ze ervan had begrepen. En bovendien…op A’akane’s gezicht kwam een onheilspellend pesterige glimlach en in een snelle beweging draaide ze zich om. Met snelle en haast onhoorbare voetstappen liep ze Ira tegemoet. Ze keek de jonge vrouw recht in haar gezicht en vroeg zachtjes “Mefista?” maar Ira schudde haar hoofd, sloeg haar ogen neer en schuifelde zo snel ze kon verder. Ze sprak geen woord met A’akane en wisselde geen blik uit. Ze was vervuld van onzekerheid, schaamte misschien, wat zou het zijn?  A’akane kon er niet meteen een naam aan hechten maar ze wist zeker dat Ira voorlopig zoveel mogelijk gemeden moest worden. Er stond haar daarom nog één di8ng te doen: de anderen waarschuwen. het was nu zaak aan Ira niets te verklappen. 

“Waar blijven die kerels toch”, vroeg Toat’ ongerust. “Zou het vaker voorkomen dat ze zolang wegblijven?” “had je een lekker ding ontdekt?” kon A’akane niet nalaten om haar te pesten maar Toat’ schudde haar hoofd. “dat is het niet maar als de mannen zolang wegblijven, dan is nu misschien…”A’akane legde haar vinger op haar mond. “Nee, dat is het niet! We weten nergens van, alles is onzeker, dat is niet het goede moment. We kunnen nu juist beter proberen het vertrouwen van de Vogelgrijpervrouwen te winnen en…laat niets blijken aan Ira. Ze is niet te vertrouwen. Snel vertelde ze wat ze die ochtend had gezien en gehoord. “M’aga moet dat ook weten. Ik denk ook dat het beter is als we niet teveel gesprekjes met elkaar hebben, deze dagen. Laten we eerst maar eens afwachten wanneer die mannen terugkomen.”

Mefista liet zich de hele dag niet meer zien en ook haar oudste dochter, Horna, vertoonde zich niet. Het was M’aga die ontdekte hoe dat kwam. De vrouwen verbleven het grootste deel van de dag in en rond de tempel. De vrouwen die naarbuiten kwamen hadden zich getooid met pijl en boog en ze voerden een loopvoeter met zich mee. Zouden de vrouwen nu ook ten strijde trekken. nu de mannen niet meer terugkwamen? Aákane vond het moeilijk te voorspellen. Meestal weigerden de klanken, tonen en stemmen in haar hoofd en ze begreep dat het enige wat ze doen kon, bestond uit goed opletten. Goed kijken wat er gebeurde en dat was ook de taak van M’aga en Toat’.  Met Ira hadden ze weinig contact al had de laatste wel een paar keer geprobeerd orders uit te delen. De Anth’ vrouwen hadden om haar gelachen en waren gewoon doorgegaan met het werk dat Mefista hen had opgedragen. 

Van tijd tot tijd keken A’akane en M’aga even uit het raam en zo zagen ze hoe de vrouwen onder aanvoering van de Vederaar de poort van het dorp uit trokken. Ook al weg! Moesten ze de mannen te hulp komen? was er oorlog? Hoe dan ook, A’akane besefte dat ze nu alleen nog de jonge vrouwen en mannen als oppas hadden. Ze vroeg zich even af of ze het tot een gevecht zou laten komen maar uiteindelijk leek haar dat toch niet handig. De jonge mannen hadden vast wel wapens bij de hand, al waren het maar knuppels. het zou een moeilijk gevecht worden en misschien wel een nederlaag. Nee, als ze aan de Vogelgrijpers wilden ontsnappen dan moest het succes een zekerheid zijn. Daarbij hadden ze de hulp van de mannen nodig en die waren op dit moment nergens op voorbereid. Het was zaak om contact met hen te zoeken.

Opnieuw viel de duisternis in. Het was A’akane al eerder opgevallen hoeveel sneller dat hier ging dan vroeger in Kana’an. Daar was altijd een hele tijd halve duisternis geweest maar dat kende het land hier haast niet. Daar kwam bij dat Gul ook wel heel snel achter de bergen in de omgeving verdween. Dat werd alles al veel donkerder. A’akane sloot het op in haar geheugen. Elk detail kon in de toekomst van belang zijn, zeker nu haar gevoel voor stemmen en geluiden het al zolang liet afweten.. Hoe meer ze wist, des te beter zou ze straks de vlucht kunnen uitvoeren. Ze voelde zich er bijna tevreden over op het moment dat ze in slaap viel.

Het was middernacht toen ze wakker werd van hoefgetrappel, stemmen en gerammel van wapens. Die geluiden maakten haar onrustig want in Kana’an was ze er altijd bang voor geweest, met het idee dat de wolvermannen het huis hadden ingenomen. Langzaam werd ze wakker genoeg om op te staan en toen zag ze ook dat Toat’ naar buiten stond te kijken. Ze had een lijkbleek en tegelijkertijd een onbegrijpend gezicht. “De vrouwen en de mannen zijn terug maar het lijkt wel of de mannen door de vrouwen gevangen Zijn genomen”, zei zij zachtjes. A’akane kwam naast haar staan en inderdaad…ook zij zag mannen zonder wapens die omringd waren door vrouwen met pijlen en boog en zelfs zwaarden. “Het zijn wel de mannen van het dorp”, merkte zij op. “En het lijkt weel of ze het allemaal niet zo erg vinden.” Peinzend keek ze door het raam naar buiten. “ik snap het niet.” De stoet bewoog zich nu naar het tempelplein, daar groepten inmiddels jonge mannen en vrouwen rond met grote zonnedieren en in het midden van het plein staken steeds grotere zonnedieren de kop op. “Ik ga kijken”, zei Toat’ zachtjes maar A’akane hield haar tegen. “Waarom? Je hebt daar niets te zoeken, het zijn onze zaken niet.””Elk detail dat we kennen zal onze vlucht vergemakkelijken”, herhaalde Toat’ nu haar eigen woorden en A’akane beet zichzelf op haar onderlip. “”Je hebt gelijk maar wees voorzichtig. Ze mogen je niet ontdekken. Je weet wat de prijs is.” Toat’ knikte en sloop de kamer uit.

www.mythologie.wordpress.com

Service

“Amazones” vormden een volk van vrouwelijke krijgers te paard waarmee Odysseus tijdens zijn  omzwervingen te maken kreeg.

www.koxkollum.nl/mythologie/mytha20.htm

www.latium.nl/index.php?id=67

www.books.google.nl/books?isbn=9065506152

 

Posted by: politiek | mei 18, 2008

De nieuwe kans

maan

In het begin had A’akane nog vertrouwd op de stem van Kalams vader maar hoe langer haar aanwezigheid in het dorp van de Vogelgrijpers duurde, des te minder kreeg zij die stem te horen. Ze had begrepen dat ze meer op haar eigen waarneming en inzichten moest afgaan.

Het duurde niet lang of A’akane had begrepen dat Amtros’ vrouw de baas was in huis. Ja, de Vogelgrijpers hadden haar herkend als vrouw van Kalam en ze hadden haar een plekje bezorgd in het huis van Amtros. Ze haalde water uit de rivier, leerde het eten te koken en bediende Amtros’ vrouw en haar vriendinnen. “Mefista” leek haar naam te zijn en bijna elke dag kwamen vrouwen uit de het hele dorp van de Vogelgrijpers naar haar toe. Dan spraken ze uren lang in een taal die A’akane niet begreep maar zij zag wel de gezichten. Vooral als zij de dranken binnen bracht, die zij van tijd tot tijd ook stiekem proefde. Vriendinnen? Nou, het leek A’akane niet dat het allemaal vriendinnen waren.   

Van tijd tot tijd sprak zij erover met M’aga en Toat’, twee  vrouwen waarmee zij in de loop van de grote tocht steeds meer contact had gekregen. M’aga heette eigenlijk M’aga Asok, zij was de dochter van een grootjager maar Toat’ was van oorsprong een vrouw uit de buitenste kring en A’akane had haar naam bedacht.”Toat’”  betekende “de slinkse”. Dat klopte ook wel want Toat’ zag altijd kans om zich te onttrekken aan dingen waarin ze geen zin had en…ze deed voortdurend dingen die eigenlijk niet door de beugel konden. Zo had ze A’akane laten zien hoe ze ongemerkt van de drankjes van haar meesteres kon snoepen. Toat’ was ook degene die altijd precies wist waar en wanneer ze even met z’n drieën konden spreken.

Het ging altijd over hetzelfde. “Hoe komen we hier weg en op welke manier krijgen we contact met de mannen?” De drie vrouwen waren niet van plan de rest van hun leven in het dorp van de Vogelgrijpers door te brengen. Daarvoor hadden ze niet de lange tocht doorstaan en…er was  nog iets. De meeste vrouwen waren zwanger. Wat zouden de Vogelgrijpers met de kinderen doen als die eenmaal waren geboren? Daarover maakten A’akane en haar vriendinnen zich nog de meeste zorgen. “Ik heb gezien dat de Vogelgrijpervrouwen veel van hun kinderen houden maar ik weet zeker dat ze niets om opnze kinderen geven”, had M’aga op een goede dag tegen de twee anderen gezegd. Toat’, die zelf een kindje verwachtte, begreep dat maar al te goed. “Als het er op aankomt, zullen ze onze kinderen opofferen. De Vogelgrijpers zijn wreed, kijk maar wat ze met Na’Anth hebben gedaan.” Als het gesprek bij Na’Anth uitkwam, bleef het altijd even stil. De vrouwen waren erg geschrokken van het gemak waarmee de gevederde figuur, Vederaar zoals deze door hen werd genoemd, Na’Anth had vermoord. Later hadden ze begrepen dat het een offer aan de voorvaderen of zoiets was geweest. Toch deed het hen vooral terugdenken aan de wreedheid van Rannhald. Het leek een mensenleven geleden maar de vrouwen hadden gezworen een eind te maken aan die bloeddorstigheid.

Voorlopig was daar nog weinig zicht op. A’akane sjouwde dagelijks trouw met water en hout dat nodig was om de zonnedieren te voeren, zoals zij het noemde. Zij vreg zich trouwens af of het wel dieren waren maar heel vaak hield ze zich daarmee niet bezig. Ze had teveel andere zaken aan haar hoofd, vooral de vraag hoe ze weg zouden kunnen  komen.

Door A’akanes werk hoefde Mefista niets te doen en kon zij de hele dag met haar vriendinnen of soortgenoten doorbrengen. Amtros vertrok elke ochtend uit huis en reed dan samen met zijn vrienden op een loopvoeter de poort van het dorp uit. Pas laat in de middag keerde hij terug en als de jacht weinig had opgeleverd, dan foeterde Mefista hem uit. Ja, één keer had A’akane gezien hoe een paar mannen door vrouwen met zwepen waren afgeranseld omdat zij helemaal geen buit hadden meegenomen. Zij moesten de hele nacht buiten de muren van het dorp doorbrengen en de volgende ochtend kwamen zij, minder in getal, terug. Een paar waren opgegeten door de jankermannen. Dat maakte A’akane uit hun gebaren en drukke verhalen op. Ja, de vrouwen waren de baas in het dorp.

Het viel A’akane ook op dat niet alleen het dorp maar ook de meeste huizen waren omgeven door een houten muur. Vooral de huizen van de belangrijke families leken wel allemaal kleine forten. Misschien waren de Vogelgrijpers toch niet zo eensgezind als ze zich tegenover de Anth’ voordeden. Die gedachte sprak A’akane uit en haar twee vriendinnen deden vanaf die dag hun werk opgewekter dan eerst. Er leek een kans te zijn om weg te komen.

Een hand op haar schouder liet A’akane opschrkken. Zij keek scuin achter zich en zag hoe één van de andere dienstmeiden vlakbij haar was komen staan. Ze keek vriendelijk en onzeker. Zachtjes sprak ze een paar woorden die A’akane niet begreep maar meteen daarna drukte ze A’akane een paar glinsterende voorwerpen in haar hand. Het waren dezelfde vierkantjes, driehoekjes en andere figuren die A’akane ook gezien had bij de terechtstelling van Na’Anth. Het meisje maakte er eeen beweging van alsof ze een vogel was die opsteeg om te vliegen. Dat dacht A’akane wel te begrijpen. Wegvliegen, de vrijheid tegemoet, ja dat wilde ze wel en ze glimlachte het meisje toe. Zij glimlachte  en fluisterde zachtjes: “Ira” terwijl ze op zichzelf wees. A’akane noemde nu ook haar naam en vulde het aan met “Anth’”  . Het moeizame gesprek kon niet verder doorgaan omdat één van de Vogelgrijpervrouwen plotseling woedend de grote kamer van Mefista uitrende en hysterisch stond te krijsen. Ze zwaaide haar vuist in de richting van de vrouw des huizes en keerde zich toen om. Nog voordat het zover was, hadden Ira en A’akane zich om de hoek teruggetrokken. Zo snel zij konden gingen zij terug naar de keuken. Ze hadden maar al te goed begrepen dat woedende Vogelgrijpers op elk moment heel gevaarlijk konden worden. Dan was het zaak om uit de buurt te zijn.

Het gerkijs ging nog lang door en steeds meer stemmen begonnen door elkaar te gillen. A’akane wilde eerst in lachen uitbarsten maar door het ernstige gezicht van Ira begreep zij dat er weinig te lachen viel. Ira wees naar de gang en zei “Lofita”! Daarna schudde zij haar hoofd en maakte ze een snijdende beweging langs haar keel en die van A’akane. Ze liet een paar tranen vallen en keek somber. Lofita was de veel genoemde naam van de vrouw die het zoëven op een hysterisch gekrijs had gezet. een  naam vaWaren de Vogelgrijpervrouwen gewend hun woede-aanvallen uit te leven op de dienstmeiden, de slavinnen? A’akane voelde haar hart ineenkrimpen.

Het duurde niet lang of uit de kamer van Mefista kwam een gegil en gekrijs alsof een jong dier werd geslacht. A’akane voelde een sterke drang in zich opkomen om te gaan kijken en ze liep voetje voor voetje naar de deur maar Ira hield haar tegen. Ze schudde hevig “nee” en A’akane schrok vooral van haar ogen. Schrik en angst spraken eruit. Er moest zich in die kamer een verschrikking afspelen. A’akane probeerde de stem van Kalams vader opnieuw te vatten om raad maar ze kreeg geen klanken te horen. Alleen het gekrijs uit Mefista’s kamer was er. Het overstemde alles. Het gekrijs ging over in langgerekte huilgeluiden en langzaamaan werd het weer stil.

Die middag zag A’akane terwijl ze het huis uitsloop op weg naar Toat’ en M’aga hoe Ira ook haar weg ging. Elke dag omstreeks hetzelfde uur ging dat het gemakkelijkste. Mefista en de andere vrouwen waren gewend om een tijdje te slapen en dan hadden ze hun dienstmeiden niet nodig. De vrouwen moesten alleen uitkijken voor de jongemannen die de hele dag door door het dorp rondliepen. Het waren jongens die nog niet oud genoeg waren om aan de jacht mee te doen maar zzij hielden wel het gedrag van de andere dorpelingen in de gaten. Ze begeleidden de slavinnen ook buiten het dorpen zouden hen zeker terugbrengen naar huis. Vrij rondlopende slavinnen waren in het dorp van de Vogelgrijpers ondenkbaar. Gelukkig waren de jongens meer met zichzelf bezig dan met hun werk en zo groepten ze vaak samen op steeds weer dezelfde plekken in het dorp. Het waren de plekken waarvandaan zij het beste zicht hadden op de jonge Vogelgrijpermeiden. Dat gaf A’akane en haar vriendinnen haast vrij spel en nu bleek dat Ira er ook gebruik van maakte.

De dagen gingen voorbij zonder dat er zich een kans voordeed om het dorp te ontvluchten. Zeker, Ira had in de kamer van Mefista de overblijfselen moeten opruimen van één van de meisjes van haar volk dat door de ruziënde vrouwen van pure woede uit elkaar was gereten. Ze was te dicht in de buurt geweest. De haat van A’akane en haar vriendinnen tegen de meesteressen was gegroeid maar de kansen waren er niet groter op geworden. Alleen spraken Ira en A’akane méér met elkaar en langzamerhand begonnen zij elkaars taal een beetje te begrijpen. Ze leerden de taal van de ander zelfs sneller dan de taal van de Vogelgrijpers maar daarin kwam verandering. Het was M’aga die daarvoor zorgde. “We moeten hun taal goed leren kennen, we moeten begrijpen waarover ze praten”, legde ze uit. “Op die manier komen we er sneller achter wat er aan de hand is in dit dorp. Dat zal ons de kans geven eerder weg te gaan.”

Ze had gelijk gehad en A’akane en haar vriendinnen maar ook Ira leken de taal van de Vogelgrijpers haast op te slurpen. Ze kwamen er ook achter dat de mannen een beetje een andere taal spraken dan de vrouwen al leek het wel veel op elkaar. De Anth’ vrouwen hadden besloten niets te laten merken van hun groeiende talenkennis aan hun meesteressen. Zij bleven zich dom en half-onwetend voordoen als de Vogelgrijpervrouwen hen een bevel gaven. Soms hadden zij er moeite mee en moesten zij later met elkaar eens even flink lachen om hun schijnbare domheid. Het waren de weinig momenten waarop er echt iets te lachen viel.

Zo konden zij ongemerkt heel wat van de cultuur van de Vogelgrijpers te weten komen. De huizen waren inderdaad niet voor niets ommuurd. De rijke families maakten soms zo erg ruzsie met elkaar, dat zij de huizen van hun tegenstanders bestormden en de inwoners afmaakten. Dat was in het verleden sporadisch voorgekomen maar gebeurde nu steeds vaker. A’akane en haar vriendinnen merkten er meestal weinig van omdat dat soort oorlogjes altijd ’s nachts plaatshad. Dan konden de slavinnen niet veel anders dan in hun slaaphok verkeren. Soms drongen de geluiden van woede en strijd wel tot hen door maar de volgende ochtend was er niet veel meer van te zien.

De ruzies gingen meestal over de kinderen. De vrouwen van de Vogelgrijpers waren voortdurend op hun hoede dat hun zoon of dochter een goede plek in de samenleving zou krijgen. Kinderen die andere kinderen pestten, waren steevast de oorzaak van veel herrie. Ook de keuze van de jongens voor de meisjes en andersom vormde een belangrijk twistpunt. Soms leek het erop dat de gesprekken tussen de vrouwen vooral daarover gingen. In A’akane’s gedachten groeide dan ook langzaam het idee dat de ruzies een kans moesten bieden om weg te komen uit het dorp. Maar hoe?

Op een ochtend was A’akane met Toat’ en M’aga temidden van een paar dorpsjongens en andere vrouwen onder weg naar de rivier. Er was veel water nodig voor de maaltijd van die dag. Een bijzondere dag want er zouden zelfs feesten zijn op het plein. Bij de poort moesten de vrouwen kort wachten want Amtros en zijn vrienden hadden voorrang bij het verlaten van het dorp. Daar hoorde Toat’ de aanvoerder enkele woorden wisselen met één van de andere ruiters. Zijn woorden kwamen er op neer dat hij verwachtte dat ze pas laat terug zouden zijn, misschien wel te laat voor het feest en dat de vrouwen op hen moesten wachten. In de woordenschat van de vrouwentaal betekende dat iets anders: “Laat die meiden maar op ons wachten, wij gaan eens lekker de bloemetjes buiten zetten. Morgenochtend is er weer een dag.”

Toat’ besloot die verfomfaaide boodschap in het dorp rond te laten gaan. Eerst vertelde ze het aan A’akane en M’aga en die zeiden het samen weer tegen Ira, die het weer doorgaf aan een vriendin en ook de jongens die hen begeleidden, kregen er zo de lucht van. Ze begonnen al dreigende taal uit te slaan zoals “Denk maar niet dat het voor jullie iets uitmaakt. Jullie zijn en blijven slavin.” A’akane glimlachte en Toat’en M’aga hadden er niet minder plezier in. De gedachte dat de mannen het feest zouden verzuimen en lekker hun eigen gang zouden gaan, was al pret genoeg. Onder de Vogelgrijpervrouwen veroorzaakte het veel onrust.  A’akane had er de hele dag plezier om, vooral omdat Mefista alsmaar tierde over het “onbeschofte gedrag” van de mannen. uiteindelijk besloot ze zelfs naar het grote, gekleurde gebouw bij het plein te gaan, de “hempla” zoals de Vogelgrijpers dat noemden, om de Vederaar te raadplegen.

Het plezier van A’akane veranderde langzaamaan in hoop toen zij merkte hoe ’s avonds bij het donker worden de mannen nog steeds niet waren teruggekeerd.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

De Trojaanse oorlog is zeker niet uitsluitend een mythologisch verhaal geweest. De oorlog draaide om de bevrijding van het Griekse westen van het oosten. Meer filosofisch: de ratio maakte zich loos van de mystieke denkwijze.

www.verwarring.nl

www.dirah.dds.nl/godin1.htm

www.polle.net/2006/05/19/vrouwen-aan-de-macht

 

 

 

Posted by: politiek | mei 12, 2008

Bloeddorst

 

boeddorstig

Na een paar slokken merkte Kalam dat hij het gevoel had zelf mee te dansen. Hij wist niet eens zeker meer of hij danste of dat hij nog langs de kant zat. Argwanend keek hij naar Tugor die nog doodrustig met gekruiste benen naast hem zat en ook Oedar bewoog zich nauwelijks. Alleen Tugors ogen leken te tranen en ze zagen wat rood. ”Wat een rode ogen, heb jij”, zei  Kalam. Zijn stem klonk traag en loom en al even langzaam kwam het atwoord. “Kijk jouw eigen ogen maar eens, die zien knalrood.!” Het leek alsof de stem van heel ver kwam.

Zonder dat hij het merkte, werd zijn beker opnieuw gevuld. Kalam voelde argwaan en spanning uit zich wegvloeien en toch keek hij nog eens goed zijn hele groep langs. De mensen leken allemaal even traag en vaag te bewegen en dat verbeterde niet toen de figuur met de vogelveren midden op het plein begon te dansen, met een hele kring mannen en vrouwen om zich heen. Het geroffel en gestamp nam toe en de mannen en vrouwen dansten wilder en toen Kalam in zijn beker keek, was ze weer niet leeg. Dat vond hij vreemd omdat hij net een paar stevige teugen had genomen. Heel in de verte leek een stem hem te roepen, het klonk als een waarschuwing, zoals zijn moeder hem vroeger als kind had geroepen als hij achter de jagers aan de vlakte in rende.

Hij zag zichzelf haast zweven boven de onmetelijke ijsvlakten en er waren dansende roofkoppen om hem heen. Ze wilden zich allemaal op hem werpen maar dan kwamen de lange schreeuwen van zijn moeder weer en werd hij teruggetrokken naar Kana’an en dan was hij weer veilig bij zijn moeder. Maar even later rende hij weer opnieuw buiten over de ijsvlakten, alleen en zonder jagers en weer waren er roofkoppen totdat de wilde kreten van zijn moeder die weer verdreven. Steeds weer en weer en even later was hij ouder en hield hij zich schuil in een grot met onmetelijke gangen en doorgangen en meren. Hi rende, ja hij vloog alsof de roofkoppen hem op de hielen zaten maar er was niemand. Eindelijk bereikte hij een opening en daar lag een blauwgolvende zee in het licht van de zon, de grond was er wit en geel en de planten oogden bruin en dor.

Hij werd wakker door de warmte in zijn gezicht en door het geschreeuw om hem heen. Voorzichtig opende hij zijn ogen en hij keek meteen in een fel schijnende zon. Hij lag op zijn rug en probeerde te gaan zitten, maar een veemd soort misselijkheid weerhield hem daarvan. Daarom keek hij om zich heen en hij zag hoe de jagers en wagarden allemaal op de grond lagen. Zij droegen geen dikke bonten mantels meer en hun wapens waren weg. Een onrustig gevoel gaf hem de kracht om overeind te gaan zitten. De grond om hem heen zag er grijs uit als een sneeuwlucht en alles leek hier te bestaan uit blauw ijs of  ”pedan” zoals de vogelgrijpers dat noemden. Het was hard en korrelig en Kalam had al lang begrepen dat het met ijs niets te maken had. Hij draaide zich om en zag hoe Tugor er al even ongelukkig bij lag. Een paar stappen verderop stond een vogelgrijper met een knuppel in zijn handen. Kalam begon nu het ergste te vrezen en Tugor bevestigde het hem. “We zijn verraden en gevangen, verdoofd door die rare drank en van onze wapens beroofd. Waar de vrouwen zijn, weet ik niet.”

De vogelgrijper met de knuppel had nu een hele groep van zijn kameraden bij elkaar geroepen en de mannen kwamen dreigend op hen af. Ze beduidden hen dat ze op moesten staan maar de meestenw eigerden dat. Daarop grepen de vogelgrijpers hen bij haar en armen en trokken hen omhoog van de grond. Ze kregen schoppen en slagen met de knuppels en moesten lopen. Zo verging het ook Kalam en Tugor. Kalam schreeuwde daarbij als een woeste roofkop en wilde één van de vogelgrijpers bij de keel grijpen maar onmiddellijk troffen een paar knuppels hem.  De slagen bleven komen totdat Kalam nauwelijks nog kon lopen en hij moest deniken aan de tijd van de knuppelmannen in Kana’an. Alleen, deze keer waren ze met heel velen. Ze zouden deze knuppelmannen niet de baas kunnen.

 Ze kwamen in een grot waar het niet meer zo warm aanvoelde als buiten en waar ook de straaltjes water langs de wanden liepen. Toen alle mannen bij elkaar waren verzameld liep één van de vogelgrijpers naar een groot brok pedan en ging er boven op staan. Het was niet Amtros. “Babas”, riep hij terwijl hij op zichzelf wees en breed grijnsde. Hij wees nu naar een paar van zijn makkers die een klein stuk pedan in hun handen hielden en zij sloegen daarmee tegen de wand van de grot. Daardoor brokkelden bij tijd en wijle kleine en grote stukken pedan af. Toen wees hij op Kalam en zijn vrienden en weer op de wanden van de grot. De bedoeling was duidelijk maar géén van de Anth’ mannen bewoog. Daarop liet Babas een woedende schreeuw horen. Hij sprong van het brok pedan af en greep met zijn machtige armen één van de wagarden in zijn nek. Hij sloeg de man een keer met zijn gezicht tegen de rotswand zodat het bloed hem over neus en lippen liep en duwde hem toen een klein stuk pedan in handen. Daarop wees hij hem de rotswand en gaf hij hem een schop onder zijn achterste. De wagarde keek hulpeloos naar zijn vrienden maar dat duurde Babas te lang. Hij greep de hand met het stuk pedan beet en bonkte die hard tegen de rotswand. De wagarde schreeuwde het uit en toen hij weer een schop kreeg, begon hij uit zichzelf met het stuk pedan tegen de rotswand te slaan. De brokken pedan vloegen hem om de oren en een dichte stofwolk omhulde zijn gezicht.

Nu kregen alle mannen een stuk pedan in handen gedrukt en werden ze op de rotswand gewezen. Wie aarzelde of onbegrijpend om zich heen keek, kreeg met de knupppel te maken of werd tegen de rotswand gegooid. Ook Oedar, Kalam en Tugor moesten eraan geloven. Daarna vertrokken de meeste knuppelmannen weer maar een flinke groep bleef staan bij de opening van de grot. “We zitten in de val”, fluisterde Tugor en Kalam knikte. “Dat kon je net verwachten van mensen die een vrouw als baas hebben. Ik snap alleen niet waarom we dit moeten doen. Wat verwachten ze er precies van? 

Het was geen fijne arbeid. Het stof drong in keel en neus door, krienbelden en maakte dorstig. Bovendien voelden de Anth’ hoe hun lijf begon te zweten en hoe zij moe werden. Elke keer als ze wilden gaan zitten, kwam een knuppelman de rust verstoren en dus probeerden de mannen zichzelf al gauw te sparen door zo nu en dan wat minder hard te werken. Soms zagen ze kans elkaar af te wisselen zodat één van hen een tijdje tegen de rotswand kon leunen om uit te rusten maar dat duurde nooit lang. De knuppelmannen hielden hen goed in de gaten en wie niet werkte, kreeg slaag. Pas toen er geen licht meer door de rotsopening naarbinnen viel, kregen ze toestemming te rusten. Een paar vogelgrijpers brachten grote schalen met eten en drinken was er ook. Het viel Kalam op dat het voedsel heel goed smaakte, het hield het midden tussen waterrat en nevelgarde en had aan de buitenkant een knapperige korst. De drank was wit en schuimde maar ze werden er niet zo sloom van als van de drank op de eerste avond.

“Wat zijn ze met ons van plan?” vroeg Tugor zich af en ook de andere jagers groepten om Kalam en Oedar heen. Kalam schudde zijn hoofd. “Wist ik het maar. De stemmen en klanken die ik vroeger in Kana’an gebruikte, werken hier niet meer. het lijtk werl of ze teveel worden verstoord. Oedar knikte. “Dat is heel goed mogelijk. In oude verhalen wordt daarvan wel verteld en men zei altijd dat het het werk was van de sluipers.” “Zouden zij een bondgenootschap hebben met de sluipers?” vroeg Tugor zich weer af en Kalam bromde instemmend. “Ik denk dat die drank die we de eerste avond hebben gehad, de drank is die sluipers maken. Ze is bedoeld om je hoofd vol onzin te stoppen zodat je kan worden omgevormd tot sluiper. Dan ben je gedoemd je hele leven onder de grond door te brengen.” Oedar beaamde het verhaal van Kalam. “Als het bondgenoten zijn van de sluipers, moeten we hier weg. We zijn niet uit Kana’an weggeggaan om een levenlang zinloosheid door te brengen.”

“Ik wil hier in elk geval weg”, mopperde Kalam. “De vraag is hoe we dat moete doen en…ik wil eerst weten waar A’akane en de andere vrouwen zijn. En waar is Na’Anth eigenlijk?” Tugor haalde zijn schouders op. Ook hij wist het niet omdat hij lange tijd in een roes had gelegen. In de tussentijd moest alles veranderd zijn: de vriendelijke gastheren en -vrouwen, de dans, het feest.

Ze kregen eerder antwoord op hun vragen dan ze hadden gedacht want tijdens de maaltijd verscheen Amtros op zijn loopvoeter met een groep ruiters in de opening van de grot. Hij knikte goedkeurend en liep op Kalam af. Deze voelde de neiding in zich opkomen om zijn gastheer aan te vliegen maar het was Tugor die kalmerend een hand op zijn schouder legde. “Laat hem alles maar eens uitleggen”, zei hij zachtjes. De uitleg duurde niet lang. Amtros wees op Kalam en zijn vrienden en maakte een hakkende beweging. Daarna wees hij op zichzelf en zijn vrienden en maakte bewegingen van eten en slapen. De boodschap was duidelijk genoeg; de Anth’ moesten hard werken en Amtros en zijn mannen zouden rusten en eten. “Het lijkt erop dat we gevangenen zijn, voorgoed”, fluisterde Kalam tegen Tugor maar deze schudde zijn hoofd. “Niet voorgoed natuurlijk, ik denk er niet aan.”

Over de vrouwen kregen ze niets te horen en dat maakte Kalams en Tugors vastbeslotenheid alleen maar groter om op een goede dag er vandoor te gaan. De grote vraag was, hoe? Het werd nog erger. Drie zonsopkomsten na hun gevangenneming naderde een grote stoet de grot. Amtros reed voorop op een loopvoeter. Achetr hem volgde een lange rij ruiters en in hun midden liep Na’Anth. Amtros had een touw om zijn hals geslagen en dat vastgemaakt aan één van de benen van de loopvoeter. Met elke stap van het dier, kreeg de jongen daardoor een klap in zijn nek. Kalam voelde de tranen in zijn ogen opwellen en zijn vuisten balden zich maar hij kon weinig doen. Achteraan de stoet volgde de figuur in het veren en pluimenpak met ene groot, lang zwaard in de handen. Amtros beval nu iedereen af te stijgen. Ondertussen dreven de knuppelmannen de Anth’ naar de opening van de grot.

Terwijl Amtros bija onafgebroken naar Kalam keek, knoopte hij het touw en Na’Anth los van het loopvoetersbeen om de jongen vervolgens aan het touw met zich mee te sleuren. De gevederde figuur met het grote zwaard kweam nu nader. Het leek erop dat hij en Amtros alles van te voren goed hadden afgesproken. Amtros dwong de jongen op de knieën en de verenfiguur legde om hem heen vierkanten, driehoeken, vijfhoeken en sterre van ijzer, wat in Kalams ogen een onbekend,glimmend materiaal was.

Ondertussen naderden in de verte de vrouwen van de Anth’. Ze werden haast meegevoerd door een zwerm vrouwen van de volgelgrijpers. Ze zagen er niet ongelukkig uit, huilden of kermden niet maar leken zelfs te dansen, samen met de vogelgrijpervrouwen. Dichtbij de opening van de grot werden hun gezichten strakker en ze probeerden te zwaaien naar de mannen. Voor hen was het geen vrolijk gezicht om te zien in welke omstandigheden de mannen verkeerden.

Plotseling klonk er een schrille fluit, ongeveer zoals de Z’akran in Kana’an altijd had geklonken. Een man in een kleurig pak van veren en glinsterende stukjes metaal danste al fluitend tussen de rijen door. De gevederde figuur met het grote zwaard deed op de maat een anatal stappen in de richting van Na’Anth, het leken haast danspassen. In